Anniek verbleef een paar dagen in Asielcentrum Parelstrand. Dit is haar dagboek.

Deel 1

Dit dagboek is geen waarheid. Het is mijn bijdrage vanuit het hart.

“Je zou beter…”

Het jaar is nog vers. Het is half januari.
Ik post op mijn Facebook-muur dat ik een paar dagen in het Fedasil-opvangcentrum (Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers) in Lommel zal verblijven. Met en tussen meer dan 900 mensen met een vluchtverhaal. Omdat ik zélf wil gaan kijken wat dat betekent, leven in een opvangcentrum, aankomen in een vreemd land, samen onzekerheid beleven. Ik wil contact maken en ontmoeten.

Ik scroll door de commentaren.
De meeste zijn positief. Eentje springt eruit, die van T.S.: “Je zou mss beter is kijken hoe de maatschappij hier tegen over staat…het groten deel van de bevolking wil dit helemaal niet… (sic)”

Ik slik. En tegelijk ga ik even in zijn schoenen staan.
Waarom kruipen die gedachten en gevoelens in onze hoofden? De perceptie leeft inderdaad dat we overspoeld worden door vluchtelingen, dat we best ramen en deuren dicht houden. Perceptie is gevaarlijk. Ze maakt ons bang. Gaat spoken in onze hoofden.

Ik ben meer bang van vooroordelen dan van vluchtelingen, bedenk ik me.
Het is ook mijn drijfveer om naar het Parelstrand te trekken. Om rechtstreeks naar verhalen te luisteren. Om me te laten raken. Om dichtbij te zijn. Om te durven contact maken met onbekenden.

Ik wil me laten onderdompelen om beter te begrijpen. Voor zover dat dat kan op een paar dagen tijd. Een glimp zal ik krijgen. Meer niet.
Ik heb er een dagboek over geschreven dat ik graag met jullie deel.
Het is geen waarheid. Het is mijn bijdrage vanuit het hart.

Ik hou van mensen.
Van jullie. Van hen.

Tijd om op te staan

“De meerderheid van de bevolking wil dus geen asielcentra”, zegt T.S. 

Maar heeft het eigenlijk wel zin om hierin iets te willen of niet?

De vluchtelingenproblematiek kent haar diepste oorzaak in de globale problemen als de klimaatcrisis, armoede, oorlog om grondstoffen en de schending van grondrechten zoals vrijheid en gelijkheid. 

Door je eigen ramen en deuren – in je eigen land en hoofd - dicht te houden, voorkom je deze problematieken dus niet.

Er is ook een en de Conventie van Genève. Dankzij dit vluchtelingenverdrag tekenden 150 landen om bescherming te bieden aan degenen die het nodig hebben. Dat we na de oorlog deze nood beseften maar dit nu steeds vaker in vraag stellen, baart mij zorgen.

Mijn besluit om ter plekke te gaan werd steeds vuriger naarmate het politiek maatschappelijk klimaat rond migratie in ons land verslechterde.

Al sinds de opvangcrisis in augustus 2016 nemen we met Bond zonder Naam groepen van burgers mee naar opvangcentra over heel Vlaanderen. Jaarlijks zo’n 3 keer met 20 deelnemers. Om contact te maken met diegenen waar zoveel over gezegd wordt vanop afstand. Maar waarover zo weinig geweten is.

Vier jaar later is het politiek debat verhard en de taal verruwd. Haatdragende en racistische reacties op online fora bij boten die zinken, mensen die stikken in containers of opvangcentra die opstarten. Politieke statements die wantrouwen zaaien in de richting van bepaalde groepen, in deze asielzoekers. Tijd om op te staan. Elk op zijn eigen manier. Dit is de mijne.


Hallo ik ben Anniek.

“Voor ons is het OK onder voorbehoud dat het centrum nog open is uiteraard”. Zo klinkt de toestemming die ik van Fedasil (Federaal Agentschap voor de Opvang van Asielzoekers) kreeg om een paar dagen in 1 van de grootste opvangcentra in ons land te verblijven. Moedig om mij de toelating te geven hun werking vanbinnen uit te observeren. Ik bedank hen voor hun vertrouwen en we maken de nodige afspraken.

In dit dagboek blijven asielzoekers anoniem. Namen werden verwisseld en foto’s onherkenbaar gemaakt. Dit is belangrijk voor hun privacy tijdens de procedure tot erkenning (of afwijzing) als vluchteling. In die wachtzaal van het leven zitten ze allemaal. Sommigen meer dan een jaar.

Vooraf vertel ik tegen mensen rondom mij dat ik een tijdje in het Parelstrand in Lommel zal verblijven van 7u ‘s morgens tot 22u ‘s avonds. Ze reageren heel verschillend. Van “Wat moedig!” “Ben je niet bang?” “Pas op met ziektes.” “Je weet dat ik openminded ben, maar we kunnen ze toch niet allemaal opvangen? “ tot “Dit zouden meer mensen moeten doen. Ministers bijvoorbeeld. Ikzelf eigenlijk ook.”

Zelf ben ik vooral nieuwsgierig naar wat ik niet ken. Naar mensen en hun beweegredenen.

Een goeie vriendin geeft me de juiste woorden om de vragen te formuleren die in mijn hoofd rondspoken:

Waar halen ze de veerkracht, de flexibiliteit en de vindingrijkheid in vaak uitzichtloze situaties?

Wat heeft hen recht gehouden onderweg?

Wat geeft hen nu hoop?

Ik geloof heel erg dat deze mensen en hun verhalen een spiegel, een voorbeeld en een bron van inspiratie kunnen zijn. Iedereen kan van iedereen leren.

 

202002-dagboek-asielcentrum-deel1c.jpg

Een vakantiepark als opvangcentrum?

Ik weet alvast dat ik naar een bijzondere plek ga. Omdat het Parelstrand eigenlijk een vakantiepark is. Fedasil huurt een deel van de caravans en houten huisjes om er asielzoekers in onder te brengen. Dit geeft een totaal andere dynamiek dan een oude kazerne bijvoorbeeld. Daar zijn de toiletten, douches en refter gemeenschappelijk. Dit geeft spanningen, onrust, stress, conflict tussen mensen en culturen. Ik zal voelen hoeveel rust en ruimte het geeft om zelf te kunnen koken wat je gezin lust, sanitaire privacy te hebben en wat groen om buiten te wandelen of te spelen. Luxe? Of basis menselijke waardigheid?

Het Parelstrand is vandaag samen met Moeskroen het grootste asielcentrum in België. 1 km lang en met om en bij de 900 asielzoekers op een totaal van 30 000 inwoners in Lommel zelf. (Kleinere opvangcentra van ongeveer 150 personen lijken me echter qua integratie in de lokale gemeenschap een pak behapbaarder.)

202002-dagboek-asielcentrum-deel1b.jpg

Kom binnen en zet u

Op de avond voor mijn vertrek, vertel ik mijn eigen zoon en dochter waar ik de week zal doorbrengen. Ik lees voor uit een boekje dat “Allemaal kinderen” heet. Prompt staan ze op en halen boeken en speelgoed uit hun kamer. Later deze week zal ik hen vertellen dat hun knuffels naar S (4 jaar) uit Iran en B (6 jaar) uit Mauritanië gingen.

Van een vriendin krijg ik ook nog zakken vol Nederlandstalige gezelschapsspelletjes mee om gezinnen de taal te helpen oefenen. Materiële hulp is er zeker welkom, maar het meest wezenlijk zal ik later voelen, is iets anders: menselijk contact.

“Thee?” is de meest gehoorde vraag in het kamp. ‘Kom binnen en zet u’ – een uitdrukking die BZN al enkele jaren uitdraagt – zit diep ingebakken in de cultuur van vele asielzoekers. Ze vragen je binnen in hun caravan en maken ruimte voor hun gast. Het past altijd. Een afspraak is niet nodig. Alles wordt uit de kast gehaald. Ook al staat er nauwelijks iets in.


Lees hier het vervolg... deel 2